vrijdag 6 april 2012

woordenschrift

Woordenschrift aanleggen
Nieuwe woorden lerenJe hoort en leest op school veel nieuwe woorden. Als je ze wilt onthouden, moet je daar iets voor doen:
  • zorgen dat je de goede betekenis weet
  • de woorden met de goede betekenis opschrijven
  • de nieuwe woorden met betekenis regelmatig overlezen of echt uit je hoofd leren
  • de nieuwe woorden zoveel mogelijk gebruiken
Wat voor de ene leerling een nieuw woord is in het Nederlands, kent de ander allang. Daarom leg je allemaal voor jezelf een woordenboek aan. Daarin noteer je:
  • het nieuwe woord
  • de betekenis
  • een voorbeeldzin; dat is een zin waardoor je beter onthoudt wat het woord betekent.
Tip: zet je woordenboek op de computer, dan kun je gemakkelijk nieuwe woorden toevoegen. Maak er een apart bestand voor. Zodra je een nieuw woord tegenkomt dat je wilt onthouden, schrijf je dat op in je eigen woordenboek.
Je woordenboek komt er ongeveer zo uit te zien:
WoordBetekenisVoorbeeldzin
paragraafdeel van een hoofdstuk in een boekVoor morgen moeten we paragraaf 3 en 4 leren uit het aardrijkskundeboek
woord: …
betekenis: …
voorbeeldzin: …
woord: …
betekenis: …voorbeeldzin: …


Je bent de schrijver van je eigen woordenboek, dus jij mag bepalen of je de woorden op alfabet zet of niet. Je mag de betekenissen overnemen uit het woordenboek of ze in je eigen woorden omschrijven.
Alles mag eigenlijk, als je er maar voor zorgt dat je goed weet en onthoudt wat de nieuwe woorden betekenen.

artikelen dossier

Artikelendossier
Bron: Christiane Koene, digischool Nederlands, 2007 Doelgroep: vmbo
Je gaat bij deze opdracht een artikelendossier maken. Door het maken van dit dossier werk je aan het uitbreiden van je woordenschat en begrijpend lezen. In totaal moet je vier artikelen zoeken en verwerken.
Bij elk artikel moet je de volgende opdrachten uitvoeren:
  1. Zoek een informatief artikel uit de krant of een tijdschrift. Zoek een artikel dat je echt aanspreekt. (Doe dit 4 keer.)
  2. Knip het artikel uit, plak het op een A4-vel. (Doe dit 4 keer.)
  3. Doe de 4 vellen met artikelen in een snelhechter.
  4. Bij elk artikel schrijf je op:
    - de naam van de krant of het tijdschrift
    - de datum waarop de krant is verschenen
    - de naam van de schrijver van het artikel
  5. Je markeert in elk artikel 5 moeilijke woorden. Je geeft daarna een duidelijke verklaring van deze woorden (mag je opzoeken in het woordenboek).
  6. Je geeft een samenvatting van de inhoud van het artikel in ongeveer 4 of 5 zinnen.
  7. Je legt uit waarom je dit artikel hebt gekozen, bijvoorbeeld: omdat je de foto’s interessant vond, omdat de titel je aansprak, of iets anders.
  8. Je geeft je eigen mening over het onderwerp in het artikel. Zorg dus voor artikelen waar je een mening over kan geven.
Hoe lever je het artikeldossier in? Vink hieronder af of je alles in je dossier hebt verwerkt:
0 Je levert het dossier in in een snelhechter.
0 Je maakt een leuke voorkant en zet je naam erop.
0 Maak een inhoudsopgave en nummer de bladzijden.
0 Er moeten vier artikelen met uitwerking in je dossier zitten.
0 Aan het einde schrijf je nog een afsluiting. Hierin schrijf je wat je moeilijk vond, hoe je het maken van het artikeldossier vond, hoe je het lezen van kranten en tijdschriften vond en wat je hebt geleerd.
Inleverdatum: [dag, datum, maand, jaar]
Beoordeling:
  • keuze van artikelen: 2 punten
  • verklaring van de moeilijk woorden: 2 punten
  • samenvatting: 2 punten
  • eigen mening: 2 punten
  • verzorging van de knipselkrant: 2 punten.